Risico’s van obligaties: dit moet je weten voor je belegt

Beleggen in obligaties brengt meer risico’s met zich mee dan veel mensen denken. Het grootste risico is het renterisico: stijgt de marktrente, dan daalt de koers van jouw obligatie. Maar er zijn meer risico’s die je koers of rendement kunnen raken, zoals kredietrisico, inflatierisico en liquiditeitsrisico. Hieronder vind je een overzicht van de belangrijkste risico’s van obligaties, zodat je weet waar je op moet letten.

Renterisico: het meest onderschatte risico van obligaties

Het renterisico is voor de meeste obligatiebeleggers het meest directe gevaar. De redenering is simpel: wanneer de marktrente stijgt, worden nieuwe obligaties aantrekkelijker omdat ze een hogere coupon bieden. Jouw bestaande obligatie met een lagere vaste rente wordt daardoor minder waard, en de koers daalt.

Hoe langer de looptijd van een obligatie, hoe groter het renterisico. Een obligatie met nog tien jaar looptijd reageert veel heftiger op een rentestijging dan een obligatie die over één jaar afloopt. Dit wordt uitgedrukt in de zogenoemde duration. Een duration van 7 betekent grofweg dat de koers met zo’n 7% daalt als de rente met 1 procentpunt stijgt. Voor langlopende staatsobligaties kan dit fors oplopen.

Rekenvoorbeeld: stel je koopt een obligatie van 1.000 euro met een vaste coupon van 2% en een looptijd van tien jaar. De marktrente stijgt daarna naar 4%. Nieuwe obligaties bieden nu 4%, jouw obligatie nog maar 2%. De koers van jouw obligatie daalt dan aanzienlijk, tot ruwweg 838 euro, afhankelijk van de exacte looptijd en timing. Houd je de obligatie aan tot de einddatum, dan krijg je wel gewoon jouw 1.000 euro terug. Maar als je eerder wilt verkopen, realiseer je een verlies.

Kredietrisico: de kans dat de uitgevende partij niet betaalt

Bij kredietrisico gaat het om de kans dat de uitgever van de obligatie, een bedrijf of een land, niet meer aan zijn betalingsverplichtingen voldoet. Dit kan gaan om de couponbetaling of om de terugbetaling van het geleende bedrag aan het einde van de looptijd. Een faillissement van de uitgever betekent in het slechtste geval dat je (een deel van) je inleg kwijtraakt.

Kredietbeoordelaars zoals Moody’s, S&P en Fitch geven obligaties een rating. Een hoge rating (AAA of AA) wijst op een lage kans op wanbetaling. Obligaties met een lage rating worden “high yield” of in de volksmond “junk bonds” genoemd. Zij bieden een hogere rente, maar het risico dat de uitgever in de problemen komt is ook groter. Dit hogere rendement is dus geen gratis lunch, maar een vergoeding voor het extra risico dat je accepteert.

Inflatierisico: koopkracht die sluipend verdampt

Een obligatie keert een vaste coupon uit. Als de inflatie stijgt, is die vaste betaling in de toekomst minder waard in termen van koopkracht. Als jij 3% rente ontvangt maar de inflatie bedraagt 4%, lever je per saldo koopkracht in. Je reële rendement is dan negatief, ook al staat er op papier een positief rendement.

Dit risico speelt vooral bij langlopende obligaties. Inflatiegekoppelde obligaties (zoals TIPS in de VS of de inflatie-gelinkte obligaties van sommige Europese overheden) bieden hier deels een oplossing voor, maar zijn op hun beurt gevoelig voor andere factoren.

Liquiditeitsrisico: soms moeilijk te verkopen

Niet alle obligaties zijn even makkelijk te verhandelen. Staatsobligaties van grote landen zoals Duitsland of de VS zijn doorgaans erg liquide: er zijn altijd kopers en verkopers. Maar bedrijfsobligaties van kleinere uitgevers of obligaties in een niche-markt kunnen moeilijk verkoopbaar zijn. Als je op een ongunstig moment wilt verkopen, kan het zijn dat je een lage prijs krijgt of dat je je obligatie simpelweg niet kwijt kunt.

Dit risico speelt extra sterk in perioden van marktspanning, zoals een financiële crisis. Dan willen veel beleggers tegelijk verkopen, en vallen de prijzen snel.

Valutarisico bij obligaties in andere munteenheden

Koop je een obligatie die luidt in een andere valuta, bijvoorbeeld de Amerikaanse dollar of het Britse pond, dan loop je ook wisselkoersrisico. De obligatie kan op zichzelf prima presteren, maar als de dollar verzwakt ten opzichte van de euro, ontvang je bij omrekening minder terug dan verwacht. Dit risico kan worden afgedekt (gehedged), maar dat kost geld en vermindert het rendement.

Callrisico: de uitgever die eerder terugbetaalt

Sommige obligaties geven de uitgever het recht om de lening vervroegd terug te betalen. Dit heet een calloptie. Dat klinkt misschien prettig, maar het nadeel is dat uitgevers dit recht juist inzetten als de rente is gedaald. Ze lenen dan opnieuw goedkoper. Als belegger ontvang je je geld terug op een moment dat je elders een lager rendement kunt behalen. Je mist dan de hoge couponbetalingen die je nog had verwacht.

Overzicht: de belangrijkste risico’s van obligaties

  • Renterisico: koersdaling bij stijgende marktrente, groter bij langere looptijd.
  • Kredietrisico: kans op wanbetaling of faillissement van de uitgever.
  • Inflatierisico: vaste coupon verliest koopkracht bij hoge inflatie.
  • Liquiditeitsrisico: moeilijk verkoopbaar, zeker in onrustige markten.
  • Valutarisico: wisselkoersschommelingen bij obligaties in vreemde valuta.
  • Callrisico: vervroegde terugbetaling op een ongunstig moment voor de belegger.

Obligaties worden vaak gezien als veilig, maar dat beeld is niet volledig. De risico’s van obligaties zijn reëel en kunnen aanzienlijk zijn, zeker bij langlopende stukken, lage ratings of vreemde valuta. Een staatsobligatie van een stabiel land met korte looptijd kent de laagste risico’s, maar biedt ook het laagste rendement. Hoe hoger het rendement dat een obligatie belooft, hoe meer risico er vrijwel altijd achter zit. Dat is het vertrekpunt voor elke eerlijke beoordeling van een obligatiebelegging.

Scroll naar boven